Nieuwe wet geeft de financiering van KMO’s een duwtje in de rug

Krediet – Kredietovereenkomst – Financiering KMO

Met de wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen creëert de Belgische wetgever een specifiek kader voor kredieten aan ondernemingen gesloten vanaf 10 januari 2014.

Opzet

De nieuwe wet beoogt enerzijds meer transparantie te creëren met betrekking tot het kredietaanbod in de precontractuele fase zodat ondernemingen een bewuste keuze kunnen maken en beter kunnen vergelijken, en anderzijds de contractuele relatie tussen de kredietgever en de ondernemer evenwichtiger te maken.

Toepassingsgebied

De wet geldt voor kredietovereenkomsten aangegaan vanaf 10 januari 2014 tussen een onderneming, die in de EER haar vestiging of maatschappelijke zetel heeft, en een professionele kredietgever die zijn commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in België of, deze, met ongeacht welke middelen richt, op België of op verscheidene landen m.i.v. België én de kredietovereenkomst onder die activiteiten in België valt.

Om onder toepassing van de wet te vallen moet de kredietnemer 1/ hetzij een onderneming zijn in de zin van de WMPC, hetzij een persoon zijn die een vrij beroep uitoefent in de zin van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen én 2/ hij moet voldoen aan de KMO-definitie in artikel 15, § 1 Wb.Venn.

De wet geldt voor elke overeenkomst waarbij een kredietgever een krediet verleent of toezegt aan een onderneming, in de vorm van een lening of van elke andere gelijkaardige regeling met uitzondering van consumentenkredieten en kredietovereenkomsten die vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 4 augustus 1994 op het hypothecair krediet.

Geregelde aspecten

De wet regelt de volgende aspecten van de kredietrelatie:

1/ Algemene zorgvuldigheidsplicht

De kredietgever, de kredietbemiddelaar en de onderneming moeten zich in hun onderlinge rechtsverhoudingen te goeder trouw en billijk gedragen en verstrekte informatie moet correct, duidelijk en niet misleidend zijn.

2/ Informatieplicht

De kredietgever, en in voorkomend geval de kredietbemiddelaar, moeten bij de kredietnemer, en in voorkomend geval de persoon die een persoonlijke zekerheid stelt, de pertinente informatie opvragen om de haalbaarheid te kunnen beoordelen van het beoogde project waarvoor het krediet wordt aangevraagd, de financiële toestand van de kredietnemer en de zekerheidssteller alsook hun terugbetalingsmogelijkheden en hun lopende financiële verbintenissen. De kredietgever, en in voorkomend geval de kredietbemiddelaar, moeten de kredietnemer een toelichting bezorgen over de voor hem relevante kredietvormen en bij het kredietaanbod moet op verzoek en kosteloos een exemplaar van de ontwerpovereenkomst worden verschaft.

3/ Geschiktheid van het krediet

De kredietgever, en in voorkomend geval de kredietbemiddelaar, moeten een “suitability-test” test doen. Vanaf nu zullen zij het krediet moeten zoeken dat qua soort het best is aangepast voor de kredietnemer rekening houdend met de financiële toestand van de onderneming en met het doel van het krediet. Bij niet naleving of miskenning van deze verplichting, kan de rechter, naast de bestaande burgerrechtelijke gevolgen, de kosteloze omzetting bevelen van het krediet naar de kredietvorm die qua soort en bedrag beter is aangepast.

4/ Kredietweigering

In geval van kredietweigering moet de kredietgever, of in voorkomend geval de kredietbemiddelaar, de onderneming op een transparante en in voor de onderneming verstaanbare bewoordingen informeren, op schriftelijke of mondelinge wijze, over de belangrijkste kenmerken waarop deze weigering is gebaseerd of die de risico-inschatting hebben beïnvloed.

5/ Vervroegde terugbetaling

De onderneming heeft te allen tijde het recht op vervroegde terugbetaling, zonder dat dit recht, behalve wat de wederbeleggingsvergoeding betreft, afhankelijk kan worden gemaakt van het vervullen van bijkomende voorwaarden. Zelfs indien het krediet niet gekwalificeerd kan worden als een lening op interest zoals bedoeld in artikel 1907bis B.W. kan de wederbeleggingsvergoeding, indien bedongen, max. zes maanden interest bedragen. Voor ondernemingskredieten waarvan het kredietbedrag meer dan 1 miljoen euro bedraagt, onverminderd artikel 1907bis B.W., moet de hoogte van de wederbeleggingsvergoeding contractueel worden vastgelegd tussen kredietgever en onderneming in overeenstemming met de berekeningsmodaliteiten hieromtrent vastgesteld in de gedragscode. Ieder schadebeding dat rechtstreeks of onrechtstreeks een bijkomende vergoeding voor de kredietgever vaststelt in geval van vervroegde terugbetaling boven de wederbeleggingsvergoeding als voorzien in deze wet, is van rechtswege nietig.

6/ Gedragscode

De representatieve werkgeversorganisaties die de belangen van de KMO’s behartigen en de representatieve organisatie van de kredietsector moeten binnen de drie maanden na publicatie van de wet een gedragscode uitwerken.

7/ Onrechtmatige bedingen

De wet bevat een opsomming van bedingen in een kredietovereenkomst die als onrechtmatig beschouwd moeten worden en derhalve nietig zijn omdat zij leiden tot een onevenwicht in de contractuele relatie tussen de kredietgever en de KMO.

8/ Toezicht
De FSMA ziet toe op de naleving door kredietgevers en kredietbemiddelaars van de bepalingen inzake de “suitability”- en de informatieverplichtingen.

Wetgevingsfiche

Titel document: Wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen

Publicatie: BS 31 december 2013

Inwerkingtreding: 10 januari 2014, behoudens een aantal bepalingen die in werking treden op de datum bij KB bepaalt of op 1 maart 2014

Parlementaire voorbereiding: Kamerdocumenten

Régine Feltkamp / Elisabeth Wellekens