Profvoetballers in Nederland lopen televisierechten mis

Sport - Voetbal - Televisierechten - Portretrecht
In Nederland heeft het Hof van Beroep te Amsterdam zich op 10 december 2013 uitgesproken over de eis van de vereniging der profvoetballers en de centrale spelersraad om een gedeelte van de inkomsten uit de verkoop van de uitzendrechten van voetbalwedstrijden uit de Eredivisie (eerste klasse in België) te ontvangen.

De vakorganisaties steunden zich hierbij op de overweging dat de uitzending van voetbalwedstrijden zonder toestemming (lees: vergoeding) van de betrokken spelers een inbreuk uitmaakt op hun portretrecht/recht op afbeelding en vroeg daarom het Hof de voetbalbond, die deze rechten (inter)nationaal verkoopt, te veroordelen tot het betalen van een vergoeding van 1/37ste van de inkomsten uit de verkoop van deze uitzendrechten.

Het portretrecht/recht op afbeelding is een persoonlijkheidsrecht dat de titularis ervan het recht geeft om zich te verzetten tegen het maken en/of verspreiden van zijn/haar afbeelding. Voor publieke figuren (filmsterren, muzikanten, politici, sportvedetten, etc.) bestaat in Nederland (en België) evenwel een uitzondering op dit principe. Omwille van hun sociale/bekende status worden deze publieke personen geacht hun toestemming te hebben verleend, voor zover het gebruik van hun afbeelding overeenstemt met de positie die ze in de ogen van het publiek bekleden en waarin ze de interesse van het publiek opwekken.

Het Hof te Amsterdam oordeelde op basis van deze principes dat de spelers zich niet kunnen beroepen op een schending van hun portretrecht voor beelden die gemaakt worden in het kader van de uitoefening van hun beroepsactiviteit en in publiekelijk toegankelijke plaatsen (zoals een voetbalstadion).

Dergelijke vastlegging/reproductie koppelen aan de voorafgaande toestemming vanwege de geportreteerde voetballers, zou volgens het Hof immers een onrechtmatig onevenwicht veroorzaken tussen het individueel belang van de sporter enerzijds en de algemene nieuwswaarde en informering van het publiek anderzijds.

In haar overweging verwijst het Hof ook uitdrukkelijk naar het feit dat de betrokken professionele voetballers voor hun deelname aan (onder meer) de wedstrijden waarvan televisiebeelden worden gemaakt, een vergoeding ontvangen in de vorm van een vast inkomsten/salaris. De uitgezonden beelden hebben bovendien betrekking op het optreden van de voetballers als onderdeel van een team en de uitzending ervan is volgens het Hof in de regel niet van invloed op de exploitatiemogelijkheden van hun “verzilverbare populariteit” (bv. sponsordeals), althans niet in negatieve zin.

Tot slot wordt in het arrest aangehaald dat de spelers in hun arbeidsovereenkomst met de clubs niet hebben bedongen dat zij, bovenop hun salaris, ook nog inkomsten zouden genieten via bv. de exploitatie van hun afbeelding.

Bob Laes