Europees Hof van Justitie acht verbod gezamenlijk aanbod met financiële dienst als bestanddeel toegelaten

Wet Marktpraktijken - Reclame - Gezamenlijk aanbod - Financiële diensten - Verbod (art. 72, §1 WMPC) - Geldigheid
RF
Prof. Dr. Régine Feltkamp
Partner MODO Advocaten
Docent VUB



Naar aanleiding van een prejudiciële vraag gesteld in een geding tussen Citroën Belux NV en de Federatie voor Verzekerings- en Financiële Tussenpersonen (FvF) over de geldigheid van de handelspraktijk van Citroën waarbij bij de aankoop van een Citroën-voertuig zes maanden omniumverzekering gratis wordt aangeboden, oordeelde het Hof van Justitie op 18 juli 2013 dat het Belgisch verbod op gezamenlijk aanbod met een financiële dienst als bestanddeel, verenigbaar is met het Europees recht.

Feitelijke context

De zaak betrof een reclamecampagne die Citroën op 10 december 2010 had gelanceerd onder het thema „Ik wil alles” en die de volgende boodschap bevatte: "6 maanden gratis Omnium’ is geldig voor elke nieuwe Omnium inschrijving voltooid in het eerste jaar. Zij is ook geldig voor alle particulieren en bedrijfswagens verkocht door de officiële Citroënverdelers, met uitzondering van demonstratiewagens en verhuringen. De Citroën Verzekering aanvaardingsvoorwaarden zijn van toepassing. Citroën Verzekering is een product van Servis, NV van verzekeringen toegelaten onder het nr. 1396. PSA Finance Belux NV (CBFA nr. 019.653A) treedt op als verzekeringsagent voor Servis NV. De CBFA-erkende Citroën-verdelers treden op als onderagent voor PSA Finance Belux NV [...]. Dit verzekeringsaanbod staat los van enig ander product of dienst behalve de te verzekeren wagen.”

FvF was van mening dat het aanbod van zes maanden gratis omniumverzekering bij de aankoop van een Citroën-voertuig een verboden gezamenlijk aanbod vormde en derhalve een oneerlijke handelspraktijk uitmaakte. Citroën was van mening dat het aanbod gold voor elke nieuwe afsluiting van een omniumverzekering voor één jaar, en niet enkel bij de aankoop van een nieuw Citroën‑voertuig. Volgens haar waren het aanbod van zes maanden gratis omniumverzekering en de aankoop van een nieuwe auto van dat merk niet aan elkaar gekoppeld.

Belgische regeling

Art. 2, 27° van de Wet van 6 april 2010 betreffende Marktpraktijken en Consumentenbescherming (BS 12 april 2010) omschrijft een gezamenlijk aanbod als het aanbod waarbij de al dan niet kosteloze verkrijging van goederen of diensten gebonden is aan de verkrijging van andere goederen of diensten.

Art. 71 WMPC bepaalt dat, onverminderd art. 72 WMPC, het gezamenlijk aanbod aan de consument toegelaten is voor zover het geen oneerlijke handelspraktijk in de zin van de artikelen 84 en volgende WMPC uitmaakt.

Art. 72, § 1 WMPC verbiedt principieel elk gezamenlijk aanbod aan de consument, waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is, en dat verricht wordt door een onderneming of door verscheidene ondernemingen die handelen met een gemeenschappelijke bedoeling. Op dit principieel verbod zijn wel een aantal uitzonderingen voorzien. Aldus is het geoorloofd om gezamenlijk aan te bieden:

1) financiële diensten die een geheel vormen (waarbij de Koning kan aanduiden welke diensten aanduiden die een geheel vormen);

2) financiële diensten en kleine door de handelsgebruiken aanvaarde goederen en diensten;

3) financiële diensten en titels tot deelneming aan wettig toegestane loterijen;

4) financiële diensten en voorwerpen waarop onuitwisbare en duidelijk zichtbare reclameopschriften zijn aangebracht, welke als dusdanig niet in de handel voorkomen, op voorwaarde dat de prijs waartegen de onderneming ze heeft gekocht, niet meer bedraagt dan 10 EUR, excl. btw [belasting over de toegevoegde waarde], of 5 % van de verkoopprijs, excl. btw, van de financiële dienst waarmee ze worden aangeboden. Het percentage van 5 % is van toepassing wanneer het bedrag dat hiermee overeenstemt hoger is dan 10 EUR;

5) financiële diensten en chromo’s, vignetten en andere beelden met geringe handelswaarde;

6) financiële diensten en titels bestaande uit documenten die, na de aanschaf van een bepaald aantal diensten, recht geven op een gratis aanbod of een prijsvermindering bij de aanschaf van een gelijkaardige dienst, voor zover dat voordeel door dezelfde onderneming verstrekt wordt en niet meer bedraagt dan een derde van de prijs van de vroeger aangeschafte diensten.

De betwisting tussen FvF en Citroën betrof de vraag of het betrokken aanbod al dan niet een gezamenlijk aanbod uitmaakte dat onder het principieel verbod valt en of het bijgevolg een verboden oneerlijke handelspraktijk uitmaakt in de zin van art. 95 WMPC.

Prejudiciële vraag

Bij vonnis van 13 april 2011 oordeelde de Rechtbank van Koophandel te Brussel dat het betwiste aanbod wel degelijk een gezamenlijk aanbod in de zin van art. 2, 27° van de WMPC uitmaakte en zich tot potentiële kopers van nieuwe voertuigen richtte. Citroën tekende beroep aan tegen dit vonnis.

Het Hof van beroep te Brussel oordeelde eveneens dat het gaat om een gezamenlijk aanbod, en herinnert eraan dat ingevolge artikel 3, lid 9, van Richtlijn 2005/29 van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken (PB L 149/22 11 juni 2005), wat financiële diensten en onroerend goed betreft, vereisten mogen opleggen die strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van die richtlijn. Het Hof achtte zich evenwel geconfronteerd met drie verschillende mogelijke interpretaties van voormelde bepaling, reden waarom het de volgende prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Europees Hof van Justitie:

"1) Moet artikel 3.9 van [richtlijn 2005/29] zo worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling, zoals artikel 72 [van de wet van 6 april 2010], die – onder voorbehoud van de limitatief in de wet opgesomde gevallen – op algemene wijze elk gezamenlijk aanbod aan de consument verbiedt zodra minstens één bestanddeel een financiële dienst uitmaakt?

2) Moet artikel 56 VWEU, betreffende de vrijheid van dienstverlening, zo worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling, zoals artikel 72 [van de wet van 6 april 2010], die – onder voorbehoud van de limitatief in de wet opgesomde gevallen – op algemene wijze elk gezamenlijk aanbod aan de consument verbiedt zodra minstens één bestanddeel een financiële dienst uitmaakt?



Beoordeling Europees Hof van Justitie

Het Europees Hof van Justitie geeft in haar arrest aan dat gezamenlijke aanbiedingen waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is, zoals in casu, handelspraktijken zijn die aan de Richtlijn 2005/29 zijn onderworpen. Het Hof herhaalt haar rechtspraak dat gezien deze richtlijn volledige harmonisatie nastreeft lidstaten geen strengere maatregelen kunnen voorzien. Het Hof voegt hier evenwel aan toe dat art. 3, lid 9 van de Richtlijn 2005/29 een uitzondering voorziet op de maximale harmonisatie voor financiële diensten krachtens welke lidstaten voor financiële diensten vereisten kunnen opleggen die strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van de richtlijn 2005/29.

Aangaande de draagwijdte van art. 3,9° van de Richtlijn 2005/29 overweegt het Hof : "Voorts zij opgemerkt dat artikel 3, lid 9, van richtlijn 2005/29 zonder verdere precisering de lidstaten alleen toestaat strengere nationale regels vast te stellen met betrekking tot financiële diensten. Het beperkt derhalve niet de mate waarin de nationale regels op dit punt strenger mogen zijn, en bevat geen criteria voor de mate waarin die diensten complex moeten zijn of risico’s moeten inhouden, willen de lidstaten deze diensten aan strengere regels onderwerpen. Uit de tekst van die bepaling blijkt evenmin dat de strengere nationale regels alleen betrekking kunnen hebben op gezamenlijke aanbiedingen die uit verschillende financiële diensten bestaan of op gezamenlijke aanbiedingen waarvan de financiële dienst het hoofdbestanddeel vormt."

Het Hof oordeelt derhalve wat betreft de eerste prejudiciële vraag dat "artikel 3, lid 9, van richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een bepaling van een lidstaat zoals art. 72, 1 WMPC die – onder voorbehoud van in de nationale wettelijke regeling limitatief opgesomde gevallen – gezamenlijke aanbiedingen aan de consument waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is, op algemene wijze verbiedt".

Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, geeft het Hof aan dat het verbod in art. 72, §1 WMPC het verrichten van financiële diensten op het Belgische grondgebied minder aantrekkelijk kan maken voor in andere lidstaten gevestigde ondernemingen die gezamenlijke aanbiedingen willen doen waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is. Deze ondernemingen zouden, aldus het Hof, die aanbiedingen niet op de Belgische markt kunnen doen en zouden moeten nagaan of die aanbiedingen in overeenstemming zijn met het Belgische recht. Onder verwijzing naar haar vaste rechtspraak geeft het Hof evenwel aan dat de vrijheid van dienstverrichting kan worden beperkt indien de beperking een met het VWEU verenigbaar legitiem doel nastreeft en haar rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang, waaronder de consumentenbescherming.

Het Hof komt vervolgens tot het besluit dat art. 72, §1 WMPC kan bijdragen tot de bescherming van de consument op grond van de volgende overwegingen: "een gezamenlijk aanbod waarvan een van de bestanddelen een financiële dienst is, een verhoogd risico inhoudt op een gebrek aan transparantie met betrekking tot de voorwaarden voor en de prijs en de exacte inhoud van die dienst. Derhalve kan een dergelijk aanbod de consument misleiden aangaande de werkelijke inhoud en eigenschappen van de aangeboden combinatie en hem tegelijkertijd de mogelijkheid ontnemen om de prijs en de kwaliteit van dit aanbod te vergelijken met soortgelijke prestaties van andere marktdeelnemers".

Het Hof oordeelt dan ook dat art. 56 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een bepaling van een lidstaat, zoals art. 72, 1 WMPC, die – onder voorbehoud van in de nationale wettelijke regeling limitatief opgesomde gevallen – gezamenlijke aanbiedingen aan de consument waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is, op algemene wijze verbiedt.